14-07-13

De gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata)

gehoornde,klaverzuring,zaden,vingers,wind

De gehoornde klaverzuring is een eenjarige of overblijvende plant uit de klaverzuringfamilie (Oxalidaceae).De plant is klein, kruipend en heeft groene bladeren die vaak bruin tot paars gekleurd zijn. De gele bloemen bestaan uit vijf kroonbladen en zijn 4-7 mm groot. De plant bloeit van mei tot oktober. De bloemen en zijn alleen bij helder zonlicht geopend.De zaden groeien in een doosvrucht, die op een steel omhoog staat en waarvan er gaandeweg de bloei talloze worden gevormd. Als de zaadjes eenmaal rijp zijn worden ze bij de minste beroering (wind, vingers) verschillende kanten opgeschoten, hetgeen een woekerende werking geeft.

10-07-13

Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus)

de kleine kaardebol xxx.xxx (1024 x 768).jpg

 

Familie Dipsacaceae, geslacht Dipsacus komt van het Griekse dipsao = Ik heb dorst,het geen slaat op het verzamelen van regenwater in de bekkens,die door de stengelbladen gevormd worden.Pilosus is harig of behaard.De afmeting van 60cm tot ongeveer 1,80 hoogte.Tweejarig of meerjarig. Hemikryptofyt (winterknoppen op of iets onder de grond).De bloei maanden Juli en augustus.De rechtopstaande stengels zijn bezet met stugge, stekende borstelharen en vaak zijn ze wat bossig vertakt.De rozetbladeren hebben een lange steel. Ze zijn eirond, staan schuin omhoog gericht, zijn behaard en hebben een gave rand. De stengelbladeren zijn gesteeld en aan de voet niet vergroeid. Wel hebben ze daar vaak 2 oortjes. De onderste stengelbladeren zijn eirond of elliptisch en niet gedeeld. De bovenste zijn 3-delig met grote eindslip en kleine zijslippen.De bloemhoofdjes zijn bolvormig, geelwit of roomwit en 1½ tot 2½ cm groot. Voor de bloei knikken de bloemen. De schutbladen en stroschubben zijn ongeveer even lang als de bloemen. De helmknoppen zijn paars.Half beschaduwde tot licht beschaduwde, min of meer open plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkhoudende, humeuze grond of leem en stenige plaatsen.Bossen open plekken in loofbossen, beek- of rivierbeleidende bosranden, struwelen, kapvlakten, waterkanten langs spoorwegen, afgravingen, kalkgroeven en steile hellingen.